Voor een internationaal trauma congres reisde ik naar Zuid-Korea. Ik spendeerde een dag in Seoel, een immense wereldstad die zich aan mij presenteerde als een aaneenschakeling van shopping malls, beauty-industrie en K-pop. Overal schermen, perfect gestileerde gezichten, rijen winkels en reclame. Eerlijk gezegd, al die commercie, ik vond er wat van. Ik keek naar deze cultuur, zo anders dan ik gewend ben, en begreep haar maar moeilijk.
Kennisdeling tussen culturen
Het congres waarvoor ik was gekomen vormde een scherp contrast met die indruk. Het stond in het teken van kennisdeling over trauma, juist tussen culturen: tussen Oosterse en Westerse perspectieven, tussen rijke en arme landen, tussen dominante stemmen en stemmen die minder vaak worden gehoord.
Dat onderwerp raakte aan iets fundamenteels. Want ons huidige denken over trauma is nu eenmaal sterk gevormd binnen een westerse traditie. Na de Vietnamoorlog ontstonden de eerste klinische beschrijvingen en wetenschappelijke onderzoeken van traumasymptomen bij veteranen. Vanaf 1980 kreeg trauma een naam; de diagnose posttraumatische stressstoornis.
Hoewel de aandacht inmiddels breder is geworden, met meer oog voor bijvoorbeeld gender, ontwikkelingstrauma en intergenerationele overdracht, blijft het dominante verhaal grotendeels geschreven in een westerse taal, met westerse concepten als uitgangspunt. Dat is niet persé fout, maar wel beperkt.
De rol van taal
Wat mij tijdens dit congres bleef bezighouden, was de rol van taal in hoe wij de gevolgen van traumatische ervaringen begrijpen. Taal is noodzakelijk: we hebben woorden nodig om ervaringen te delen, om onderzoek te doen, om zorg te organiseren. Tegelijkertijd dwingt taal ons altijd in een bepaald perspectief. Ze kadert, ordent en selecteert. Ze beïnvloedt de vragen die we stellen en het gedrag dat we observeren.
Daarmee beperkt taal ook ons denken, en misschien nog wel belangrijker: ons vermogen om de ander werkelijk te begrijpen. Zeker wanneer iemand een andere culturele achtergrond heeft, op een andere manier naar de wereld kijkt en dus een andere taal spreekt, soms letterlijk, soms figuurlijk.
Als we ons niet bewust zijn van hoe wij onze woorden gebruiken, luisteren we niet echt. Dan horen we het verhaal van de ander niet in zijn eigen betekenis, maar proberen we het te vertalen naar onze vertrouwde categorieën. Daarmee erkennen we onvoldoende de getuigenis van de ander, terwijl die juist een waardevol perspectief in zich draagt. Als we die ander niet werkelijk horen, doen we de ander onrecht. En doen we uiteindelijk ook onszelf tekort.
Leren van andere perspectieven
Ik was diep onder de indruk van professionals die werken op plekken waar mensen te maken hebben met ernstige en complexe trauma’s, terwijl de middelen schaars zijn. Soms zijn er slechts enkele sessies therapie beschikbaar per persoon. Toch zagen zij kans om werkend vanuit de gemeenschap betekenisvolle veranderingen teweeg te brengen in het leven van mensen. Niet door te spreken in termen van PTSS-diagnoses en evidence-based behandelingen, maar door een taal te gebruiken van veerkracht, herstel en verbondenheid.
Dat zette mij aan het denken over onze eigen context. In Nederland, waar de zorgvraag alleen maar lijkt toe te nemen en wachttijden oplopen, zouden we hier misschien iets van kunnen leren. Wordt het niet tijd om ons te laten verrijken door andere perspectieven? Om getuigenissen van anderen, ook wanneer ze niet passen binnen ons eigen culturele kader, als waardevol en betrouwbaar te beschouwen? En om die verhalen toe te laten als gidsen bij het beter begrijpen van wat het wereldwijd betekent om te leven met en na een traumatische ervaring?
Anders kijken
Op die vrije dag in Seoel zocht ik mijn toevlucht in het Museum of Modern and Contemporary Art. Als ik iets rustgevends vind, is het een bijna verlaten museumhal, badend in natuurlijk licht. En als ik iets boeiend vind, is het een monumentale installatie van een eigentijdse kunstenaar die je dwingt om stil te staan en opnieuw te kijken.
In dit museum zag ik hoe kunstenaars een zoektocht naar identiteit verbeeldden. Na de Koude Oorlog en decennia van autoritair bestuur kwamen bestaande waarden rond cultuur, gemeenschap en ideologie onder druk te staan. In een land waarin generaties lang het denken was ingeperkt, barstten plotseling westerse invloeden los. Een vacuüm werd opgevuld met consumptie, individualisme en vrijheid. Maar wie ben je dan, als land, als gemeenschap, als individu?
De perspectieven van deze kunstenaars gaven mij woorden en beelden. Ik had die taal nodig om het verhaal dat in deze samenleving geleefd werd te begrijpen. En juist daardoor begon mijn blik te verschuiven. Toen ik het museum verliet en weer de stad in liep, keek ik anders naar de wereld om mij heen.
Elisa van Ee is klinisch psycholoog, systeemtherapeut en bijzonder hoogleraar Psychotraumatologie in ontwikkelingsperspectief aan Radboud University. Ook is ze bestuurder van stichting Traumanet. Elisa schreef twee boeken: Mag ik bij jou? en Ik moet het nog even verwerken.